Tagarchief: Tweede Kamer

Telegraafsma / Respect Online #32: Samen leven

Samen leven, politiek: de basis
(Bron: Parlement.com) De Rijksoverheid maakt beleid, vaardigt wetten uit en ziet toe op naleving. Daarnaast bereidt het Rijk plannen van de regering en het parlement voor. En voert het deze plannen uit. De Rijksoverheid is het onderdeel van de overheid dat op landelijk niveau werkt. Bij het Rijk werken ongeveer 116.000 ambtenaren. Ambtenaren op de 12 ministeries bereiden beleid en wetgeving voor. Bij uitvoerende diensten voeren ambtenaren het beleid uit. Bijvoorbeeld politiemensen, militairen en  inspecteurs.

Missie Rijksoverheid
Naast het motto ‘De Rijksoverheid. Voor Nederland’ heeft het Rijk een missie. Die luidt: ‘De Rijksoverheid werkt aan een rechtvaardige, ondernemende en duurzame samenleving. In onze democratische rechtsstaat is het belangrijk dat mensen en maatschappelijke organisaties zich in vrijheid en veiligheid kunnen ontplooien. (RG: Dat men samen kan leven). Daarvoor zijn keuzes nodig, in Nederland, in Europa, in de wereld. De Rijksoverheid weegt belangen tegen elkaar af, investeert in de toekomst en treedt op als dat nodig is. Dat doet zij met hart voor de publieke zaak, integer en met kennis van zaken’.

De regering
Opvattingen over verantwoordelijkheden van de overheid en hierop aansluitend de regering verschillen tussen personen en ontwikkelen zich in de loop van de tijd. De regering heeft in ieder geval een besturende en handhavende taak. De Grondwet, internationale verdragen en het soort onderwerpen dat in de ministerraad wordt besproken geven een ruwe indicatie wat in de praktijk zoal de verantwoordelijkheden van de regering zijn. Naast een juridische benadering kunnen de verantwoordelijkheden ook in een meer maatschappelijk licht gezien worden.

Maatschappelijke opvattingen
Uit de beleidskeuzes van een regering blijkt waar zij zich zelf in het bijzonder verantwoordelijk voor voelt. Ook het parlement kan het kabinet voor bepaalde zaken verantwoordelijk houden. Wat staatsrechtelijk als overheidsverantwoordelijkheid wordt beschouwd zal uiteindelijk een weerspiegeling zijn van maatschappelijke opvattingen hierover..

Grondwet
Uit de Grondwet vloeit een aantal verantwoordelijkheden voor de overheid en voor de regering voort, zoals op het gebied van de landsverdediging, de handhaving van de openbare orde, sociaal beleid, volksgezondheid en onderwijs.

Internationale verdragen
Uit internationale verdragen kunnen eveneens verantwoordelijkheden voor de overheid voortvloeien. Zo valt te denken aan internationale verdragen waarin eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld mensenrechten of uitstoot van broeikasgassen. In het Verdrag van Maastricht zijn, als voorwaarde voor toelating tot de EMU, criteria vastgesteld voor onder andere de toegestane hoogte van de inflatie, het begrotingstekort en de staatsschuld. Het lidmaatschap van de NAVO brengt voor Nederland militaire verplichtingen met zich mee.

Europese richtlijnen
Binnen het kader van de de Europese Unie (EU) worden richtlijnen vastgesteld, die de EU-lidstaten, waaronder Nederland, moeten omzetten in binnenlandse wetgeving. Aangezien ongeveer een derde van de Nederlandse wetgeving voortvloeit uit Europese richtlijnen is omzetting van Europese richtlijnen in Nederlandse wetgeving een belangrijke taak van de regering, evenals het beïnvloeden van de Europese besluitvorming hierover.

Bestuur en handhaving
De regering is verantwoordelijk voor het bestuur van de rijksoverheid, dat wil zeggen de uitvoering van wetgeving en overheidstaken voor zover deze betrekking hebben op de rijksoverheid. Bestuur wordt ook wel omschreven als overheidsactiviteiten die niet te zien zijn als wetgeving of rechtspraak. Na de vuurwerkramp in mei 2000 in Enschede en de cafébrand in Volendam op 1 januari 2001 bestaat er veel belangstelling voor de handhaving van wetgeving.

Nachtwakerstaat
Als de overheidsbemoeienis beperkt blijft tot zaken als handhaving van de openbare orde en landsverdediging, wordt wel gesproken van een nachtwakerstaat. Dit was in de negentiende eeuw goeddeels het geval. Ook was de overheid verantwoordelijk voor het monetaire stelsel, en moest de overheid belasting heffen om de uitvoering van taken te kunnen financieren.

Overheidsbemoeienis
Tegen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwamen daar, in verband met misstanden in de arbeidsomstandigheden en in de huisvesting, verantwoordelijkheden op sociaal-economisch en volkshuisvestingsgebied bij. Ook de overheidsbemoeienis met gezondheidszorg en onderwijs werd steeds groter. In de loop van de twintigste eeuw is de leerplicht verder uitgebreid. Na de Grote Depressie in de jaren 1930 en onder invloed van de ideeën van de Britse econoom John Maynard Keynes ging de overheid zich na de Tweede Wereldoorlog steeds meer bezig houden met het beïnvloeden en sturen van de economie en de conjunctuur. Belastingheffing werd gebruikt voor herverdeling van inkomens, en er werd een steeds uitgebreider sociale zekerheidsstelsel opgebouwd.

Terugtrekkende overheid
Vanaf de jaren 1970 begon de economische ontwikkeling, mede als gevolg van enkele oliecrises, te stagneren. De overheid bleek minder dan verwacht in staat de economie te sturen, de begrotingstekorten en staatsschuld liepen in hoog tempo op, en de belastingen en sociale premies waren zo hoog geworden dat de economische ontwikkeling ernstig werd verstoord en de werkloosheid steeds verder steeg. Vanaf de jaren 1980 is het overheidsingrijpen in de economie daarom afgenomen, en zijn de overheidsfinanciën door middel van bezuinigingen gesaneerd. Toch speelt de overheid nog steeds een belangrijke rol op sociaal-economisch gebied.

Risicomaatschappij
Intussen is de rol van de overheid op andere gebieden juist uitgebreid, zoals bij de inzet van de overheid voor het behoud van het milieu en de natuur. Daarnaast leeft steeds sterker het gevoel dat sprake is van een risicomaatschappij, waarin de overheid de burgers moet beschermen tegen risico’s (bijvoorbeeld op het gebied van voedselveiligheid) en hen meer moet bijstaan als zij slachtoffer van een ramp zijn geworden. Ook de toenemende vraag naar bescherming van burgers tegen criminaliteit, vandalisme en terrorisme brengt een grotere rol van de overheid met zich mee. (Bron: Parlement.com)

Inrichting van de samenleving, macht en tegenmacht
Het is dus aan de overheid om de samenleving in te richten en te besturen. Aangestuurd door de politiek. De politiek moet ‘vakwerk afleveren’. Dan gaat het steeds beter met de samenleving. Als het lukt. De overheid heeft de macht, de politiek – de democratie – levert de tegenmacht als de verhouding tussen de overheid en de samenleving verslechtert. Onderzoek van Ipsos geeft, per nu, het volgende beeld weer:

Pieter Omtzigt schrijft over het functioneren van de overheid in zijn boek
‘Een nieuw sociaal contract’ het volgende:

“Beter extern toezicht en externe onderzoeken
Signalen van problemen dienen natuurlijk allereerst binnen de overheid zelf herkend, opgepakt en opgelost te worden. Het liefst op een normale manier, maar eventueel ook via een klokkenluidersregeling. Maar naast intern toezicht is er natuurlijk ook bij de overheid extern toezicht. Dat toezicht valt echter vaak onder dezelfde minister, die ook verantwoordelijk is voor de dienst of het ministerie waarop toezicht wordt gehouden.

Onafhankelijkheid
Het is daarom van groot belang dat de onafhankelijkheid van die toezichthouders bij wet vastgelegd wordt, zodat de toezichthouders hun eigen begroting hebben en moeilijk onder druk gezet kunnen worden. De taken van een toezichthouder dienen ook rechtstreeks uit de wet te volgen en het parlement moet de toezichthouder kunnen horen zonder toestemming van de minister. De onafhankelijkheid is nu vaak niet goed genoeg geborgd.

De onderzoeksvraag
Het Nederlandse parlement heeft zelf geen onderzoeksdienst. Dat betekent in de praktijk vaak dat de regering bij misstanden verzocht wordt haar eigen handelen extern te laten onderzoeken. Dit zijn politiek gevoelige onderzoeken en als er forse misstanden zijn, heeft de regering de natuurlijke neiging om de onderzoeksvraag zo te stellen dat een deel van de problemen niet boven water komt. En we hebben gezien dat de onderzoekers niet zomaar openbaar verantwoording willen afleggen. Daarom moeten er nieuwe afdwingbare regels hiervoor komen, waardoor de regering bijvoorbeeld niet meer zelf de onderzoeksvraag kan bepalen, wanneer haar eigen handelen onderwerp van onderzoek is”.

Het werk voor en door de overheid wordt gedaan door ambtenaren, in functie ambtsdragers.
Pieter Omtzigt:
Een professionele en benaderbare ambtelijke dienst
De Nederlandse ambtelijke dienst is professioneel en bestaat uit toegewijde mensen. Een aantal mechanismes leidt er echter toe dat wanneer er iets misgaat, het niet gemakkelijk weer wordt rechtgezet. Dat komt onder andere door slechte wetgeving, rigide uitvoering of te veel reorganisaties, die vaak leiden tot langdurige onzekerheid.

Aanvullende maatregelen
Hier ligt een belangrijke opgave voor de politieke aansturing, maar er is ook een aantal aanvullende maatregelen nodig. Zo dient de algemene bestuursdienst, waarin de topambtenaren zitten, te leiden tot veel minder rotatie van topambtenaren tussen departementen, zonder deze natuurlijk onmogelijk te maken. Daarnaast dienen misstanden gemakkelijker aan het licht te komen. Dat kan door betere bescherming van klokkenluiders. Deze is aan precieze regels gebonden en de Raad van Europa heeft daarvoor een goed voorstel gedaan, dat wij in Nederland moeten doorvoeren.

Cultuuromslag
Deze bescherming geldt overigens niet alleen voor ambtenaren maar ook voor gewone werknemers (inclusief mensen die als uitzendkracht werken of op andere wijze worden ingehuurd). Dit vraagt echter wel om een cultuuromslag binnen organisaties waarbij het normaler wordt om kritiek over bijvoorbeeld handelen in strijd met de wet serieus te nemen, zodat de problemen intern kunnen worden opgelost en mensen niet langer als klokkenluider naar buiten hoeven te treden maar intern reeds een luisterend oor krijgen.

Benaderbaarheid
Tot slot is het van belang dat ambtelijke diensten gemakkelijker benaderbaar zijn. Veel websites van de overheid bevatten goed leesbare teksten, maar brieven van de Belastingdienst of andere instanties zijn zelden opgesteld in begrijpelijke taal. Die kunnen echt een stuk eenvoudiger, en ook dient op elke brief een naam met telefoonnummer en emailadres te staan van de behandelend ambtenaar. Het is een relatief eenvoudige maatregel en de overheid krijgt op deze manier weer een gezicht. De voorbeelden waarbij mensen nu verdwalen in doolhoven waarbij ze niemand te spreken krijgen die hun probleem kan oplossen, zijn talrijk”.
Aldus Pieter Omtzigt.

Een vraag aan jou: “hoe zie jij het functioneren van de overheid (nu)?”.

Abonneren RESPECTONLINE / Telegraafsma



Telegraafsma #28: De Grondwet

Een echte volksvertegenwoordiging?

Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872)

De Grondwet
“De Grondwet van Thorbecke uit 1848 staat bekend als een belangrijke mijlpaal in de democratisering van Nederland in de negentiende eeuw. Het brein achter deze grondwet was de liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Thorbeckes grondwet legde de basis van onze tegenwoordige parlementaire democratie. De macht van de koning werd aanzienlijk ingeperkt en de bevolking kreeg meer rechten en vrijheden.

Waarom een grondwetsherziening?
1844 kwam Thorbecke als parlementariër in de Tweede Kamer. In de tweede helft van de jaren 1840 broeide er iets, in heel Europa. Er braken in meerdere Europese landen hongersnoden uit. Honderdduizenden Europeanen emigreerden naar de Verenigde Staten. In tal van fabrieken brak er onrust uit onder de industrieslaven: de arbeiders lieten steeds luider van zich horen. Het gedachtegoed van het communisme broeide onder de oppervlakte en weldra zouden spreekbuizen als Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895) van zich laten horen met hun Communistisch Manifest.

Revoluties en rellen

In Europa werd het in maart 1848 pas écht onrustig. Zo braken er in Duitsland en Frankrijk revoluties uit, die in Frankrijk leidde tot afzetting van de monarchie. Toen ook in Amsterdam en Den Haag relletjes uitbraken, werd Willem II, “In één nacht van uiterst conservatief uiterst liberaal.” Omdat koning Willem II na de val van de Franse monarchie bang was voor zijn positie vroeg hij Thorbecke voorzitter te worden van de door hem ingestelde Grondwetscommissie, die op 17 maart 1848 geïnstalleerd werd.

Trias politica
De nieuwe Grondwet was bijna volledig het werk van Thorbecke, wiens gedachtegoed sterk beïnvloed was door de ideeën van de Verlichtingsfilosoof Charles Montesquieu (1689-1755). Montesquieu stelde een scheiding van de drie machten voor (trias politica): de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht moesten onafhankelijk van elkaar opereren om echte democratie te garanderen.

Belangrijkste bepalingen uit de Grondwet van Thorbecke
De Grondwet van Thorbecke bood veel nieuwe vrijheden en vormde de basis voor de ontwikkeling van de parlementaire democratie van vandaag de dag. De belangrijkste bepalingen uit Thorbecke’s grondwet waren:
– De ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd. Dit hield in dat de ministers verantwoordelijk zouden zijn, de koning bleef onschendbaar.
– Vrijheid van onderwijs, vereniging en vergadering, van meningsuiting en van drukpers.
– De Tweede Kamer, gemeenteraden en Provinciale Staten werden rechtstreeks gekozen via het systeem van censuskiesrecht (RG: dat wil zeggen dat bij verkiezingen het stemrecht is voorbehouden aan personen die vermogend genoeg zijn om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen). De Eerste Kamer werd voortaan indirect verkozen via de provincies en niet meer rechtstreeks door de koning. Alleen de rijke elite uit elke provincie kwam in aanmerking voor eventueel lidmaatschap van de Eerste Kamer.
– De Tweede Kamer kreeg het recht van amendement (aanvullingen op de grondwet) en het recht van onderzoek.
– De koning had niet meer individuele beslissingsbevoegdheid op het koloniale beleid en ook geen invloed meer op besluiten omtrent de Rooms-Katholieke Kerk.
– De nationale begroting werd voortaan jaarlijks en niet om de twee jaar vastgesteld.
– Vergaderingen van volksvertegenwoordigers werden openbaar toegankelijk.

Kort samengevat, verloor de koning door de Grondwet van Thorbecke veel macht, de parlementaire invloed werd flink vergroot en de Nederlandse bevolking kreeg meer vrijheden.

Na de Grondwet
Hoewel Thorbeckes grondwet de bevolking veel nieuwe vrijheden bracht, kwam van de democratisering in de praktijk decennialang weinig terecht. Het percentage kiesgerechtigden bleef laag. In 1848 had 7,3 procent van de volwassen mannelijke bevolking het kiesrecht. Na de grondwet steeg dit percentage weliswaar, maar zeker niet spectaculair. In 1850-1851 was 10,8 procent van de mannelijke inwoners van 23 jaar en ouder kiesgerechtigd, een percentage dat heel langzaam groeide naar 12,1 procent in 1880. Dat betekende dat slechts 3 à 4 procent van de totale bevolking, een fractie dus, in deze jaren het kiesrecht bezat.

Marga Klompé 
In 1917 voerde de politiek het algemeen kiesrecht voor mannen in. En twee jaar later kregen ook vrouwen het actief kiesrecht, wat inhield dat zij ook mochten stemmen. Beide wijzigingen kwamen in 1922 in de herziene Nederlandse grondwet te staan. Maar de politieke vrouwenemancipatie verliep traag. Pas op12 oktober 1956 kreeg Nederland
met Marga Klompé  (1912-1986) een eerste vrouwelijke minister”. (Bron: Historiek).

Democratie
Het recht ‘te kunnen kiezen’ en ‘gekozen te kunnen worden’ is dus niet zo maar uit de lucht komen te vallen. Hoe gaan we nu met onze democratische rechten om? Pieter Omtzigt zegt er het volgende over, in zijn voorstel om te komen tot een volksvertegenwoordiging die haar kerntaken serieus neemt:

“Kerntaken
De Tweede Kamer heeft een aantal kerntaken zoals het maken van goede, deugdelijke wetgeving en het grondig en diepgaand controleren van de regering. Voor de uitoefening van haar taken maakt de Grondwet geen onderscheid tussen oppositie-Kamerleden of coalitie-Kamerleden. Beiden hebben dus diezelfde taak.

De praktijk
In de praktijk lijkt het er echter meer op dat het overal een mening over hebben, schriftelijke en mondelinge vragen stellen en in de media verschijnen, de kerntaak van parlementariërs is. Het maken van goede wetten en het controleren van de regering bij de uitvoering zijn veel taaiere, eerder onzichtbare processen, die meer aandacht vragen dan ze nu krijgen. Dit is alleen mogelijk door het werk van het parlement anders in te richten.

Details
Wetgeving wordt vaak behandeld met een algemeen verhaal van de woordvoerder waarin wordt aangegeven dat het doel van de wet wel of niet gedeeld wordt. Maar het venijn van wetgeving zit hem vaak in de details: klopt de afbakening van mensen die ergens recht op hebben of niet? Is de strafmaat veel te hoog of juist veel te laag? Dat soort vragen komt veel te beperkt aan de orde tijdens de wetsbehandeling. En Kamerleden kunnen nauwelijks detailvragen stellen.

Reglement van Orde
Het Reglement van Orde van de Kamer, dat bepaalt hoe procedures werken, voorziet wel in de mogelijkheid om wetten artikelsgewijs te behandelen, bijvoorbeeld in een wetgevingsoverleg. Maar in de praktijk gebeurt dit nooit. Bij grote wetsvoorstellen is het wel nuttig om dit te doen. Als dan blijkt dat de Kamer vastloopt, dan is het waarschijnlijk dat de praktijk ook vastloopt. Ook kan de Kamer een wetsvoorstel in twee lezingen behandelen, zoals in buitenlandse parlementen gebeurt. Sommige wetsvoorstellen worden gaande het wetgevingsproces zo verbouwd met nota’s van wijzigingen (veranderingen die de regering aanbrengt tijdens het wetgevingsproces) en amendementen (wijzigingen die de Kamer in een wetsvoorstel aanbrengt) dat het zeer zinnig is om na al die wijzigingen de samenhang van het wetsvoorstel opnieuw te bekijken voordat de wet wordt goedgekeurd of weggestemd.

Boekhouden
Verder heeft de Kamer de commissie Rijksuitgaven opgeheven. Deze commissie was onder andere belast met de behandeling van aangelegenheden van rechtmatigheid en doelmatigheid van besteding van collectieve middelen. Formeel is die taak nu overgeheveld naar de commissie Financiën. Maar in de praktijk is een aparte commissie die de honderden miljarden die de regering jaarlijks uitgeeft controleert hoognodig.

Akkoorden
De snelste manier waarop het parlement zijn macht uit handen geeft is bij grote omvattende akkoorden. Coalitiefracties keuren hele coalitieakkoorden vaak binnen een paar uur goed en zijn er dan vervolgens vier jaar lang aan gebonden. Fracties zien dan zelfs wel eens hoofdlijnen van beleid over het hoofd. Ook bij het klimaatakkoord en het pensioenakkoord laat de Kamer zich voor het blok zetten met een omvangrijk pakket. Bij deze akkoorden moet de Kamer ook echt de consistentie van het pakket en de samenhang kunnen bestuderen en op onderdelen aanpassen of verwerpen.

Illusiepolitiek
Bij de kabinetsformatie van 2021 is er een aanvullende reden om een regeerakkoord op hoofdlijnen af te sluiten: de onzekerheden rondom de coronacrisis zijn dusdanig groot dat het simpelweg illusiepolitiek is om de uitgaven in 2025 tot op de komma nauwkeurig vast te leggen.

Europa
Een vierde punt voor een beter parlement verdient nadere toelichting. De impact van de Europese afdrachten is relatief beperkt op de totale rijksbegroting. Maar de impact van de Europese wetgeving is zeer groot. De Nederlandse regering is medewetgever als lid van de Raad van Europese Unie terwijl het nationale parlement alleen indirect wetgever is. Voor het parlement is de discussie tussen de Europese ministers moeilijk te volgen, vanwege de vertrouwelijkheid en het gebrek aan transparantie. De Nederlandse regering heeft bijna nooit vetorecht, dus kan niet een voorstel in haar eentje tegenhouden, maar moet coalities smeden. En dat proces duurt relatief lang, bijvoorbeeld omdat er na een aanname van de wetgeving nog een nationale implementatietijd volgt. Daarom volgen weinig Kamerleden het hele proces van het begin tot eind. Pas wanneer Nederland de wetgeving moet implementeren, staat de politiek op haar kop, vanwege bijvoorbeeld de stikstofwetgeving, Natura 2000-wetgeving of binnenkort de btw-richtlijn voor e-commerce die op 1 juli 2021 ingaat. Op dit punt heeft het parlement wel een paar instrumenten, maar het is echt nodig dat de Kamer vaker één of twee rapporteurs aanstelt om het hele wetgevingsoverleg volgen, wanneer een wetgevingsvoorstel potentieel grote impact voor Nederland heeft. Dat betekent dus dat een parlementariër aan het begin van het proces, wanneer er nog gediscussieerd wordt over de teksten, al een inschatting moet maken van de potentiële effecten op Nederland. Dat vereist tijd, kennis en specialistische ondersteuning, maar die zijn wel hoognodig. Vooral in een gefragmenteerde Kamer met meer dan tien fracties zullen deze allemaal een keer een beurt moeten nemen in het algemeen belang”. Aldus Pieter Omtzigt.

Wat denk jij?
Van Thorbecke tot Omtzigt: hoe denk jij dat onze democratie (nu) functioneert?
(email-link).

Abonneren / deelnemen (klik link)