Telegraafsma / Respect Online #32: Samen leven

Samen leven, politiek: de basis
(Bron: Parlement.com) De Rijksoverheid maakt beleid, vaardigt wetten uit en ziet toe op naleving. Daarnaast bereidt het Rijk plannen van de regering en het parlement voor. En voert het deze plannen uit. De Rijksoverheid is het onderdeel van de overheid dat op landelijk niveau werkt. Bij het Rijk werken ongeveer 116.000 ambtenaren. Ambtenaren op de 12 ministeries bereiden beleid en wetgeving voor. Bij uitvoerende diensten voeren ambtenaren het beleid uit. Bijvoorbeeld politiemensen, militairen en  inspecteurs.

Missie Rijksoverheid
Naast het motto ‘De Rijksoverheid. Voor Nederland’ heeft het Rijk een missie. Die luidt: ‘De Rijksoverheid werkt aan een rechtvaardige, ondernemende en duurzame samenleving. In onze democratische rechtsstaat is het belangrijk dat mensen en maatschappelijke organisaties zich in vrijheid en veiligheid kunnen ontplooien. (RG: Dat men samen kan leven). Daarvoor zijn keuzes nodig, in Nederland, in Europa, in de wereld. De Rijksoverheid weegt belangen tegen elkaar af, investeert in de toekomst en treedt op als dat nodig is. Dat doet zij met hart voor de publieke zaak, integer en met kennis van zaken’.

De regering
Opvattingen over verantwoordelijkheden van de overheid en hierop aansluitend de regering verschillen tussen personen en ontwikkelen zich in de loop van de tijd. De regering heeft in ieder geval een besturende en handhavende taak. De Grondwet, internationale verdragen en het soort onderwerpen dat in de ministerraad wordt besproken geven een ruwe indicatie wat in de praktijk zoal de verantwoordelijkheden van de regering zijn. Naast een juridische benadering kunnen de verantwoordelijkheden ook in een meer maatschappelijk licht gezien worden.

Maatschappelijke opvattingen
Uit de beleidskeuzes van een regering blijkt waar zij zich zelf in het bijzonder verantwoordelijk voor voelt. Ook het parlement kan het kabinet voor bepaalde zaken verantwoordelijk houden. Wat staatsrechtelijk als overheidsverantwoordelijkheid wordt beschouwd zal uiteindelijk een weerspiegeling zijn van maatschappelijke opvattingen hierover..

Grondwet
Uit de Grondwet vloeit een aantal verantwoordelijkheden voor de overheid en voor de regering voort, zoals op het gebied van de landsverdediging, de handhaving van de openbare orde, sociaal beleid, volksgezondheid en onderwijs.

Internationale verdragen
Uit internationale verdragen kunnen eveneens verantwoordelijkheden voor de overheid voortvloeien. Zo valt te denken aan internationale verdragen waarin eisen worden gesteld aan bijvoorbeeld mensenrechten of uitstoot van broeikasgassen. In het Verdrag van Maastricht zijn, als voorwaarde voor toelating tot de EMU, criteria vastgesteld voor onder andere de toegestane hoogte van de inflatie, het begrotingstekort en de staatsschuld. Het lidmaatschap van de NAVO brengt voor Nederland militaire verplichtingen met zich mee.

Europese richtlijnen
Binnen het kader van de de Europese Unie (EU) worden richtlijnen vastgesteld, die de EU-lidstaten, waaronder Nederland, moeten omzetten in binnenlandse wetgeving. Aangezien ongeveer een derde van de Nederlandse wetgeving voortvloeit uit Europese richtlijnen is omzetting van Europese richtlijnen in Nederlandse wetgeving een belangrijke taak van de regering, evenals het beïnvloeden van de Europese besluitvorming hierover.

Bestuur en handhaving
De regering is verantwoordelijk voor het bestuur van de rijksoverheid, dat wil zeggen de uitvoering van wetgeving en overheidstaken voor zover deze betrekking hebben op de rijksoverheid. Bestuur wordt ook wel omschreven als overheidsactiviteiten die niet te zien zijn als wetgeving of rechtspraak. Na de vuurwerkramp in mei 2000 in Enschede en de cafébrand in Volendam op 1 januari 2001 bestaat er veel belangstelling voor de handhaving van wetgeving.

Nachtwakerstaat
Als de overheidsbemoeienis beperkt blijft tot zaken als handhaving van de openbare orde en landsverdediging, wordt wel gesproken van een nachtwakerstaat. Dit was in de negentiende eeuw goeddeels het geval. Ook was de overheid verantwoordelijk voor het monetaire stelsel, en moest de overheid belasting heffen om de uitvoering van taken te kunnen financieren.

Overheidsbemoeienis
Tegen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwamen daar, in verband met misstanden in de arbeidsomstandigheden en in de huisvesting, verantwoordelijkheden op sociaal-economisch en volkshuisvestingsgebied bij. Ook de overheidsbemoeienis met gezondheidszorg en onderwijs werd steeds groter. In de loop van de twintigste eeuw is de leerplicht verder uitgebreid. Na de Grote Depressie in de jaren 1930 en onder invloed van de ideeën van de Britse econoom John Maynard Keynes ging de overheid zich na de Tweede Wereldoorlog steeds meer bezig houden met het beïnvloeden en sturen van de economie en de conjunctuur. Belastingheffing werd gebruikt voor herverdeling van inkomens, en er werd een steeds uitgebreider sociale zekerheidsstelsel opgebouwd.

Terugtrekkende overheid
Vanaf de jaren 1970 begon de economische ontwikkeling, mede als gevolg van enkele oliecrises, te stagneren. De overheid bleek minder dan verwacht in staat de economie te sturen, de begrotingstekorten en staatsschuld liepen in hoog tempo op, en de belastingen en sociale premies waren zo hoog geworden dat de economische ontwikkeling ernstig werd verstoord en de werkloosheid steeds verder steeg. Vanaf de jaren 1980 is het overheidsingrijpen in de economie daarom afgenomen, en zijn de overheidsfinanciën door middel van bezuinigingen gesaneerd. Toch speelt de overheid nog steeds een belangrijke rol op sociaal-economisch gebied.

Risicomaatschappij
Intussen is de rol van de overheid op andere gebieden juist uitgebreid, zoals bij de inzet van de overheid voor het behoud van het milieu en de natuur. Daarnaast leeft steeds sterker het gevoel dat sprake is van een risicomaatschappij, waarin de overheid de burgers moet beschermen tegen risico’s (bijvoorbeeld op het gebied van voedselveiligheid) en hen meer moet bijstaan als zij slachtoffer van een ramp zijn geworden. Ook de toenemende vraag naar bescherming van burgers tegen criminaliteit, vandalisme en terrorisme brengt een grotere rol van de overheid met zich mee. (Bron: Parlement.com)

Inrichting van de samenleving, macht en tegenmacht
Het is dus aan de overheid om de samenleving in te richten en te besturen. Aangestuurd door de politiek. De politiek moet ‘vakwerk afleveren’. Dan gaat het steeds beter met de samenleving. Als het lukt. De overheid heeft de macht, de politiek – de democratie – levert de tegenmacht als de verhouding tussen de overheid en de samenleving verslechtert. Onderzoek van Ipsos geeft, per nu, het volgende beeld weer:

Pieter Omtzigt schrijft over het functioneren van de overheid in zijn boek
‘Een nieuw sociaal contract’ het volgende:

“Beter extern toezicht en externe onderzoeken
Signalen van problemen dienen natuurlijk allereerst binnen de overheid zelf herkend, opgepakt en opgelost te worden. Het liefst op een normale manier, maar eventueel ook via een klokkenluidersregeling. Maar naast intern toezicht is er natuurlijk ook bij de overheid extern toezicht. Dat toezicht valt echter vaak onder dezelfde minister, die ook verantwoordelijk is voor de dienst of het ministerie waarop toezicht wordt gehouden.

Onafhankelijkheid
Het is daarom van groot belang dat de onafhankelijkheid van die toezichthouders bij wet vastgelegd wordt, zodat de toezichthouders hun eigen begroting hebben en moeilijk onder druk gezet kunnen worden. De taken van een toezichthouder dienen ook rechtstreeks uit de wet te volgen en het parlement moet de toezichthouder kunnen horen zonder toestemming van de minister. De onafhankelijkheid is nu vaak niet goed genoeg geborgd.

De onderzoeksvraag
Het Nederlandse parlement heeft zelf geen onderzoeksdienst. Dat betekent in de praktijk vaak dat de regering bij misstanden verzocht wordt haar eigen handelen extern te laten onderzoeken. Dit zijn politiek gevoelige onderzoeken en als er forse misstanden zijn, heeft de regering de natuurlijke neiging om de onderzoeksvraag zo te stellen dat een deel van de problemen niet boven water komt. En we hebben gezien dat de onderzoekers niet zomaar openbaar verantwoording willen afleggen. Daarom moeten er nieuwe afdwingbare regels hiervoor komen, waardoor de regering bijvoorbeeld niet meer zelf de onderzoeksvraag kan bepalen, wanneer haar eigen handelen onderwerp van onderzoek is”.

Het werk voor en door de overheid wordt gedaan door ambtenaren, in functie ambtsdragers.
Pieter Omtzigt:
Een professionele en benaderbare ambtelijke dienst
De Nederlandse ambtelijke dienst is professioneel en bestaat uit toegewijde mensen. Een aantal mechanismes leidt er echter toe dat wanneer er iets misgaat, het niet gemakkelijk weer wordt rechtgezet. Dat komt onder andere door slechte wetgeving, rigide uitvoering of te veel reorganisaties, die vaak leiden tot langdurige onzekerheid.

Aanvullende maatregelen
Hier ligt een belangrijke opgave voor de politieke aansturing, maar er is ook een aantal aanvullende maatregelen nodig. Zo dient de algemene bestuursdienst, waarin de topambtenaren zitten, te leiden tot veel minder rotatie van topambtenaren tussen departementen, zonder deze natuurlijk onmogelijk te maken. Daarnaast dienen misstanden gemakkelijker aan het licht te komen. Dat kan door betere bescherming van klokkenluiders. Deze is aan precieze regels gebonden en de Raad van Europa heeft daarvoor een goed voorstel gedaan, dat wij in Nederland moeten doorvoeren.

Cultuuromslag
Deze bescherming geldt overigens niet alleen voor ambtenaren maar ook voor gewone werknemers (inclusief mensen die als uitzendkracht werken of op andere wijze worden ingehuurd). Dit vraagt echter wel om een cultuuromslag binnen organisaties waarbij het normaler wordt om kritiek over bijvoorbeeld handelen in strijd met de wet serieus te nemen, zodat de problemen intern kunnen worden opgelost en mensen niet langer als klokkenluider naar buiten hoeven te treden maar intern reeds een luisterend oor krijgen.

Benaderbaarheid
Tot slot is het van belang dat ambtelijke diensten gemakkelijker benaderbaar zijn. Veel websites van de overheid bevatten goed leesbare teksten, maar brieven van de Belastingdienst of andere instanties zijn zelden opgesteld in begrijpelijke taal. Die kunnen echt een stuk eenvoudiger, en ook dient op elke brief een naam met telefoonnummer en emailadres te staan van de behandelend ambtenaar. Het is een relatief eenvoudige maatregel en de overheid krijgt op deze manier weer een gezicht. De voorbeelden waarbij mensen nu verdwalen in doolhoven waarbij ze niemand te spreken krijgen die hun probleem kan oplossen, zijn talrijk”.
Aldus Pieter Omtzigt.

Een vraag aan jou: “hoe zie jij het functioneren van de overheid (nu)?”.

Abonneren RESPECTONLINE / Telegraafsma



Telegraafsma #31: Het belang bepaalt de mening

Politiek is de wijze waarop in een samenleving de belangentegenstellingen van groepen en individuen tot hun recht komen – meestal op basis van onderhandelingen – op de verschillende bestuurlijke en maatschappelijke niveaus. We hebben al enige tijd de verkiezingen voor de Tweede Kamer achter de rug en we kunnen nu dan ook op deze begripsomschrijving terug vallen om de huidige status van het bestuur van ons land te begrijpen, en / of daar een mening over te hebben. Debatten in ‘de Kamers’, in de media, op pleinen en in straten etaleren de verschillende manieren van denken. Doorslaggevende argumenten moeten het pleit bezorgen. Stemmingen moeten tot besluitvorming leiden. Machtsverhoudingen spelen een hoofdrol bij het maken van de keuzes, het inrichten van het beleid, bij het spelen van het spel, het kiezen van een pad.

“Onderzoek toont aan, …….”
Een dagelijks gehoorde uitspraak: “onderzoek toont aan, ….”. In politieke debatten, bij dagelijkse besluitvorming, bij het verdedigen van belangen, bij het ondernemen, enzovoort zodra het van belang is vertrouwen te winnen of een ander te overtuigen spreekt men deze woorden uit. Zo van: “ik heb echt wel gelijk, want wetenschappelijk onderzoek bewijst mijn gelijk”. Je zal dus aan de studie moeten om net zo overtuigd te raken als degene die jou met al die wetenschap en bewijzende onderzoeken confronteert. Als je de moeite wil nemen je in het denken en doen van een ander te verdiepen ‘dan moet je aan de bak’.

Wat is wetenschap eigenlijk?
Opgezocht op Wikipedia: “Wetenschap is zowel de systematisch verkregen, geordende en controleerbare menselijke kennis, het bijbehorende proces van kennisverwerving, als de gemeenschap waarin deze kennis wordt verzameld. Deze gemeenschap heeft haar eigen wetenschappelijke methodes en afgesproken gewoonten om tot hypotheses, wetmatigheden, theorieën en systemen te komen. Moderne wetenschap heeft verschillende kenmerken, die min of meer gelden in uiteenlopende vakgebieden. Wetenschap wil onder meer aspecten van de ervaren werkelijkheid op een systematische en gedegen wijze onderzoeken en proberen te begrijpen. Daarmee kan men de werkelijkheid zoals de natuur soms beheersen en soms verschijnselen voorspellen”.

Wetenschappelijke methode
Wetenschap volgt doorgaans de wetenschappelijke methode. Dat is niet zomaar wat. Je kan dus niet zomaar zeggen dat “onderzoek jouw gelijk bewijst”. Je kan je gelijk niet zomaar even van een plank af nemen en je mening er mee afdoen. Nog maar eens verder met definiëren:

“Wetenschap:
* wil diepgaande algemene verbanden ontdekken (wetmatigheden) die een veelheid van verschijnselen rationeel verklaren met een toetsbare theorie. Voor het beschrijven van de verbanden gebruikt wetenschap vaak de wiskunde;

* wordt ondersteund door empirische gegevens verkregen door bijvoorbeeld experimenten, bronnenonderzoek, veldonderzoek of andere manieren en zo nauwkeurig mogelijke beschrijvingen daarvan;

* is toetsbaar en stelt zich daarmee bloot aan eventuele weerlegging (falsifieerbaarheid, falsificatie). Weerlegging werkt zuiverend en is essentieel omdat het leidt tot verbetering van de theorie en tot nieuwe experimenten. Als een bewering geen aangrijpingspunten in de werkelijkheid of in de wiskunde biedt – niet toetsbaar is en dus ook niet weerlegd kan worden – heeft de wetenschap daar niets aan;

* kan vaak voorspellingen doen en stelt zich daarmee bloot aan die eventuele weerlegging via falsifieerbaarheid en falsificatie;

* geeft aan welke beperkingen er zijn aan de geldigheid van veronderstellingen, methoden en resultaten. Levert zelfkritiek;

* maakt gegevens openbaar en geeft inzicht in de gebruikte methoden zodat anderen het onderzoek kunnen controleren en eventueel herhalen, is reproduceerbaar. Methoden, resultaten en conclusies worden beargumenteerd, en discussie wordt met argumenten gevoerd;

* publiceert uitkomsten veelal in een overzichtelijk wetenschappelijk artikel en in een wetenschappelijk tijdschrift en presenteert deze op congressen. Wetenschappelijke tijdschriften laten ingestuurde artikelen beoordelen door collega-onderzoekers (deze referees voeren de collegiale toetsing of peerreview uit). Zij adviseren de redactie van het tijdschrift over verbetering, aanvaarding of afwijzing van de artikelen. Wetenschappelijke tijdschriften zorgen voor regelmatige samenvattingen en beoordelingen (reviews) van de voortgang in een vakgebied, geschreven door vooraanstaande onderzoekers. Ook organisatoren van wetenschappelijke congressen selecteren bijdragen en laten overzichten van een vakgebied maken;

* controleert eerder verkregen resultaten van andere onderzoekers en herhaalt experimenten en andere vormen van onderzoek. Als een resultaat niet gereproduceerd kan worden, vervalt dat resultaat (wetenschap zuivert zichzelf);

* bouwt voort op werk van anderen maar pleegt geenplagiaat en citeert met bronvermelding;

* is neutraal en niet direct gebonden aan een bepaalde ideologie, commerciële onderneming, politiek, godsdienst of eigen belang. Doet bijvoorbeeld ter verklaring geen beroep op een religieuze ideologie die bovennatuurlijke machten erkent of op een politieke of racistische ideologie. Is ook in deze zin objectief:

* is een sociale activiteit: resultaten worden vaak in groepsverband verkregen, en altijd in overleg beoordeeld, aanvaard of afgewezen. Onderzoekers in een vakgebied zijn doorgaans georganiseerd in nationale en internationale gemeenschappen of beroepsverenigingen, die regelmatig wetenschappelijke congressen organiseren ter bespreking van onderzoek;

* omvat het ontwikkelen en gebruik maken van kennis in de praktijk in zogenaamde op toepassing gerichte of toegepaste wetenschap;

* is systematisch in de zin dat steeds wordt getracht series gelijkvormige vragen te beantwoorden en lacunes in de kennis op te vullen”.

Slechte wetenschap
Aan de hand van deze kenmerken kan wetenschap van slechte wetenschap, pseudowetenschap en wetenschappelijke fraude worden onderscheiden. Slechte wetenschap kan bestaan uit slordig onderzoek, gebruik van een wankele theorie en regelrechte fraude. Pseudowetenschap kan gebruikmaken van een onbewezen theorie of gegevens die niet bevestigd kunnen worden door herhaling van waarnemingen of experimenten.

‘De waarheid’
Er bestaat dus goede en slechte wetenschap. Dat kun je onderzoeken en uiteindelijk wel bewijzen. Edoch: in de politiek werkt het blijkbaar toch anders. Macht en tegenmacht speelt een rol, slimmigheid, ambities, persoonlijke verhoudingen, talloze invloeden van buitenaf, de waarheid van de één is niet zo maar de waarheid van de ander. Er wordt wat afgepraat, ……
De ene partij laat aan de andere partij zien wat hij of zij wil, men giet de eigen werkelijkheden in voor ieder voor zich passende modellen. Het is een werkwijze geworden: men maakt de modellen zo dat er in ieder geval een gewenste uitkomst te verwachten is. Er gaat input in en er komt output uit, steeds vaker er tussen in: een ‘black box’, ………..Of vergelijkbaar met zoals Picasso het gezegd heeft: “zo’n regering is net een computer. Er komen alleen maar antwoorden uit”.

Pieter Omtzigt maakt daar een analyse van met zijn streven naar:
Minder planbureau’s, minder modellen, meer mensen, meer denktanks
Hij zegt daarover in zijn boek ‘Een nieuw sociaal contract’: “We hebben gezien hoe ingewikkeld de belastingen in Nederland geworden zijn als gevolg van de modellen waarmee gewerkt wordt. Hoe meer prikkels nodig zijn, wordt bepaald aan de hand van die modellen en niet aan de hand van de realiteit. De Rekenkamer geeft namelijk aan dat de regering eigenlijk nooit onderzoek doet naar de bijna 100 miljard euro belastingfaciliteiten die in Nederland bestaan. De prikkels zijn enorm, maar het effect wordt niet gemeten.

Voorlichters
Meer dan zevenhonderd voorlichters verkopen het beleid. Begrijp me niet verkeerd: een ministerie heeft voorlichters nodig en in een pandemie is publieksvoorlichting een zeer belangrijke functie. Maar het gegeven dat minder dan honderd mensen bij de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid en de adviesraden werken (inclusief een enkele voorlichter) laat zien hoe ver dit uit balans is. Er is ook geen adviesraad voor belastingen en uitkeringen. Terwijl juist in het gecompliceerde samenspel enorm problemen zitten, die veel kennis, studie en tijd kosten.

We hebben daarom in Nederland een aantal zaken nodig:
* Meer denktankcapaciteit, juist ook bij de overheid zelf over het vastgelopen belastingstelsel en ook de rechtsstaat. Op deze beide terreinen helpt het niet om nog een prikkel tegen het licht te houden of om te kijken aan welke knop er dit jaar gedraaid kan worden. Het is noodzakelijk om het hele systeem te doorgronden en tegen het licht te houden. Het aantal voorlichters daarentegen is de afgelopen jaren te hard opgelopen.
* De overheid gebruikt alleen open modellen, en maakt ruimte voor discussie over de modellen en hun uitkomsten.
* De Algemene Rekenkamer bekijkt achteraf hoe duur de maatschappelijke kosten werkelijk zijn van bijvoorbeeld de maatregelen uit het klimaatakkoord, en stelt daarvoor ook de definities vast.

Definities en modellen
Het zal dus niet meer mogelijk zijn om vrijelijk eigen definities en eigen niet-transparante modellen te bedenken met betrekking tot maatregelen. Soms denk ik wel dat als je het beleid echt wil bepalen, je de definities en de modellen moet maken en niet de wetten.

Openheid over informatie en een goede informatiehuishouding
Het lijkt zo simpel, maar de informatie bij de Rijksoverheid is al lange tijd niet op orde. De Belastingdienst kon de dossiers van burgers niet samenstellen en was niet in staat de Kamer goed te informeren. Daar kwam bij dat lange tijd niemand in de top van de Belastingdienst in leek te zien hoe een combinatie van maatregelen desastreus uitpakte.

De wereld op zijn kop
Als je informatiesystemen en archieven niet op orde zijn, neem je dus foute besluiten, kun je burgers niet helpen en komen sommige burgers en bedrijven helemaal klem te zitten. Het is toch vreemd dat de minister-president zorgt dat er nauwelijks gespreksverslagen zijn van zijn bijeenkomsten waarin over miljarden besloten wordt, in een land waar de thuiszorg een minutenregistratie bijhoudt van elk contact met cliënten en waar de leraar op de basisschool uitgebreide leerlingvolgsystemen moet invullen. Dit is de wereld op zijn kop en een manier om niet controleerbaar te (willen) zijn.

Informatiestandaarden
De regering gaat een regeringscommissaris hiervoor aanstellen. Dat is een eerste stap, maar er is meer nodig: de regeringscommissaris moet ook standaarden opstellen voor welke verslagen opgesteld moeten worden en welke stukken bewaard moeten worden. En de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed moet archieven controleren en boetes opleggen als de informatiesystemen en archieven niet aan wettelijke eisen voldoen”. Aldus Pieter Omtzigt.

Verder
We moeten nu verder: er is dus nog geen nieuwe regering. Op vele terreinen wordt er om beleid en bestuur geschreeuwd. ‘Het is een meervoudige crisis’. De gesprekken moeten worden gevoerd, er zullen resultaten moeten komen. Keuzes in acties en daden worden omgezet. Aan de slag: met dé waarheid. Een vraag: “Hoe bepaal jij jouw waarheid, waar je een ander van wil overtuigen?”. Welke belangen en modellen bepalen jouw meningen?

Abonneren / deelnemen: klik op deze link

Telegraafsma #30: Armoede

Willem Massier

Een goede relatie, Willem Massier, schrijft op zijn website (www.willemmassier.nl):
“Getriggerd vanuit ervaringen in mijn eigen jeugd werd ik – in aanloop naar de Tweede kamer verkiezingen in 2021 – getroffen door een artikelen reeks op ‘Follow the Money’. ‘Dit kan niet waar zijn’, dacht ik in eerste instantie, toen ik las dat in Nederland anno 2021 de armoede bewust in stand wordt gehouden. Het bleek wel waar te zijn. Ondanks het feit dat armoede en schulden grote impact hebben op de gezondheid en het welzijn van mensen en hun opgroeiende kinderen. Vooral als financiële problemen langere tijd aanhouden. En laat dat nu juist aan de hand zijn.

Leven in armoede is een immens probleem. Het is lijden!
Ga maar na:
– constante stress;
– je kinderen niet kunnen geven, wat andere ouders wel kunnen;
– of als kind geen recht hebben op kinderbijslag omdat je ouders geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
– soms in het openbaar worden gekleineerd;
– een enorm gevoel van minderwaardigheid;
– de constante be- en veroordeling vanuit de maatschappij;
– overal voor moeten verantwoorden
– meer kans op problemen met werkloosheid, uitkeringen, relaties, schulden, gezondheid, en wonen;
– niet echt kunnen meedoen in de samenleving: emancipatie en participatie van arme mensen in de samenleving is kleiner, denk maar aan de kosten voor reizen, relaties, geschenken, ontvangsten, contributies, etentjes, etc.

Kinderen krijgen al deze zaken ook mee!
Het Kinderrechten collectief schrijft in een op 30 april 2021 gepresenteerd rapport over de Nederlandse situatie, dat één op de dertien kinderen opgroeit in armoede, ook al heeft 40 procent van hen werkende ouders. De politiek houdt armoede bewust in stand!
Omdat er een prikkel vanuit zou gaan om arme mensen ‘weer’ aan het werk te krijgen, waardoor ze ‘ons’ minder kosten.
Maar …………
– iedereen met gezond verstand begrijpt, dat een mens vanuit de hierboven geschetste positie nauwelijks kans heeft op een baan die echt perspectief biedt;
– ook keihard werkende mensen (veelal ZZP-ers) en ouderen die – zonder dat ze daar iets aan konden doen – hun baan kwijt raakten, horen tot deze groep;
– er wordt dus helemaal geen rekening gehouden met wat dit voor opgroeiende kinderen en jongeren betekent en de lasten (denk aan de nu al volkomen overbelaste Jeugdzorg) en kosten die de tijdens het opgroeien opgelopen schade later voor de samenleving betekenen.

Zelfs een grondrecht als wonen staat door regeringsbeleid onder druk.
Wonen is zowel in de Grondwet als de Universele Verklaring van de rechten van de mens een grondrecht. De woningcrisis in Nederland wordt veroorzaakt, doordat dit grondrecht volledig wordt overgelaten aan het recht van de sterkste via het heilig geloof in de markt.
De situatie verbetert niet, maar verslechtert door de coronapandemie, maar ook door actuele politiek:
– tot 2035 wordt de nu volgens het CPB en SCP al € 3.000 te lage bijstandsuitkering verder afgeroomd.Het tijdens verkiezingstijd gedropte – maar ook bij andere partijen levende – idee van CDA-minister Hoekstra om de WW met nog een jaar te verkorten;
– de nieuwe deurwaarderswet die het voor mensen met schulden nog moeilijker maakt om daar ooit weer uit te komen;
– en eerder al: de verhuurdersheffing, waardoor de sociale woningbouw kwakkelt;
– de uitholling door verregaande bezuinigingen op eerst de sociale advocatuur en vervolgens de rechtbanken”.

Willem Massier zit niet stil:
“Volop inzetten op en ondersteunen van genoemde lokale initiatieven betekent meer sociale cohesie in de buurt. Het betekent ook, dat mensen elkaar meer ontmoeten, beter leren kennen en gemakkelijker gaan helpen als dat gewenst of noodzakelijk is. Tegelijkertijd biedt sociale cohesie ook grote kansen om een sociaal netwerk te bouwen en daarmee ondersteunende initiatieven veel dichterbij de doelgroep te brengen. Maar de grote boosdoener voor mensen levend in armoede of worstelend met trauma’s, schulden, laaggeletterdheid, ontslag, discriminatie en ondermijning blijkt steeds de structurele en verlammende immense stress. Ook daarvoor is een goed en warm sociaal netwerk een belangrijke weg naar verbetering van situaties: gedeelde smart is halve smart. En ook zodra mensen het aandurven de schaamte voor hun stressfactor te delen, kan het sociale netwerk ook zijn wegwijzerende en zelfs genezende werk doen”.
(Meer op de website van Willem).

Grondwettelijke taken
Ook Pieter Omtzigt wijst op het belang de grondwettelijke taken van de staat, onderwijs, volkshuisvesting, een bestaansminimum, serieus te nemen: “De Grondwet bevat ook taken die niet kunnen worden afgedwongen via een constitutioneel hof, zoals deze drie voorbeelden:
– Artikel 20.1 De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
– Artikel 22.2 Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.
– Artikel 23.1. Het onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der regering.

Sociaal minimum
We moeten deze taken echt serieus nemen als kerntaken van de overheid. Ze staan immers niet voor niets in de Grondwet. Wat artikel 20 betreft, betekent het bijvoorbeeld dat wij heel helder moeten definiëren wat het sociaal minimum is voor verschillende huishoudsamenstellingen en dat we dat vervolgens ook als uitgangspunt nemen. Niet op basis van modellen maar op basis van wat mensen echt nodig hebben. Dit zouden we elke twee jaar moeten doen. Het opnieuw geijkte sociale minimum is dan ook het uitgangspunt voor bijvoorbeeld uitkeringen en het betalen van belastingen.

Wonen
Het bevorderen van voldoende woongelegenheid (Artikel 21) is de afgelopen jaren onvoldoende gedaan. We hebben nu een tekort van 331.000 woningen. Het gevolg hiervan is dat mensen in vakantiehuisjes wonen, dat jongeren lang thuis blijven wonen, dat starters geconfronteerd worden met onbetaalbare woningen en dat er lange wachtlijsten zijn voor sociale huurwoningen. Het bouwen van extra woningen dient een topprioriteit te zijn, zoals dat ook het geval was in de wederopbouwperiode. We hebben 1 miljoen woningen nodig de komende tien jaar en daarop zullen we moeten sturen.

Onderwijs
Wat de zorg voor onderwijs betreft (Artikel 23) moeten we vaststellen dat de prestaties van 15-jarigen in het leesonderwijs hard zijn gedaald. In 2003 deed Nederland het nog goed in de Pisa-vergelijking. Slechts 11 procent van de 15-jarigen liep toen het risico op laaggeletterheid. Dat is inmiddels meer dan verdubbeld naar 24 procent in 2018. Je kunt geen kennissamenleving zijn als zo’n groot deel van de jeugd moeite heeft met lezen. De onderwijsachterstanden die in de coronatijd ontstaan zijn, maken de uitdaging alleen maar groter.

Centrale kerntaken
Het is van groot belang dat deze drie kerntaken van de overheid veel centraler komen te staan in de politiek en niet slechts vrome wensen blijven in de Grondwet”. Aldus Pieter Omtzigt.

Abonneren

Telegraafsma#29: Vrijheid

Geplaatst op 4 september 2021 door René Graafsma

Democratie
De politiek in Nederland vindt plaats binnen een parlementaire democratie. ‘Het volk regeert, het volk is de baas’. Met ons kiesrecht kiezen wij onze eigen vertegenwoordigers. Na de verkiezingsstrijd, als de zetels zijn verdeeld, dan is het normale streven dat er wordt toegewerkt naar een zo groot mogelijk draagvlak voor het beleid, een brede consensus tussen de politiek actoren. De onderlinge vrijheden en het onderlinge respect voor elkaar vormen, normaliter, daarvoor de basis.

De vrije wil

Wikipedia definieert het begrip vrijheid als “de mogelijkheid om naar eigen wil te handelen. In maatschappelijke zin behelst het de mogelijkheid van groepen en individuen om deel te nemen aan het maatschappelijke, economische en politieke verkeer. Het is  een van de belangrijkste maatschappelijke waarden geworden, met een groot aantal verschillende interpretaties.

Negatief en positief
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen negatieve en positieve vrijheid. Negatief en positief drukken hierbij geen waardeoordeel uit, maar geven aan of het gaat om vrijheid die ontstaat door de afwezigheid van iets of door de aanwezigheid van iets.
Negatieve vrijheid is de ‘vrijheid van invloed van anderen’. Deze vrijheid houdt verband met vrijheid en bevrijding, bijvoorbeeld van dwang, van overheersing, ziektes en waandenkbeelden.
Positieve vrijheid is de ‘vrijheid tot het inzetten van je eigen vermogen’. Het is de mogelijkheid om te kiezen en het eigen leven in te richten. Dit is de vrijheid waar men het over heeft wanneer het gaat over de vrije wil.

Verantwoordelijkheid en kennis
Positieve en negatieve vrijheid hangen samen. Positieve vrijheid is niet mogelijk wanneer negatieve vrijheid ontbreekt. Anderzijds is negatieve vrijheid weinig zinvol wanneer positieve vrijheid niet nagestreefd wordt. Beide vormen van vrijheid lijken op een Januskop waarvan het ene gezicht naar het verleden en het andere naar de toekomst gericht is. Vrijheid gaat altijd samen met verantwoordelijkheid. Wie vrijheid heeft om te kiezen, heeft een verantwoordelijkheid om het beste alternatief te kiezen. Het beste alternatief kan men bepalen door kennis te vergaren over hoe de wereld is en hoe men zelf is.

Politieke vrijheid
Politieke vrijheid is de vrijheid die burgers genieten ten opzichte van de staat. Deze kent opnieuw negatieve en positieve versies: vrijheid van overheidsbemoeienis tegenover vrijheid om als burger vorm te geven aan bestuur en maatschappij. Grondrechten en mensenrechten worden gezien als waarborg voor politieke vrijheid. Politieke vrijheden worden vaak opgenomen in de grondwet van een land. Voorbeelden van politieke vrijheden zijn:
– de vrijheid van godsdienst;
– de vrijheid van meningsuiting;
– de vrijheid van de pers;
– de vrijheid van vereniging en vergadering”.
– de onaantastbaarheid van het lichaam.

Middenveld
Pieter Omtzigt beschrijft de noodzaak van een vrij maatschappelijk middenveld in zijn boek
Een Nieuw Maatschappelijk Contract’:
“Het maatschappelijk middenveld was oorspronkelijk goed geworteld als het geheel van groepen burgers die zich los van de staat organiseerden.
Zo zijn in Nederland scholen, ziekenhuizen, woningbouwverenigingen, sportverenigingen, voetbalclubs en zelfs universiteiten onafhankelijk van de staat opgericht. Deze wortels zijn inmiddels verdwenen en in veel gevallen vervangen door een subsidierelatie met de overheid., die leidt tot afhankelijkheid. Het maatschappelijk middenveld is kortom te veel vervlochten geraakt met de overheid.

De baas
Het zou daarom goed zijn als bijvoorbeeld woningbouwcoöperaties en verpleeghuizen weer mogelijk zelfstandige verenigingen worden, waarvan mensen lid kunnen zijn. Dan zijn de leden de baas en dat is een stuk effectiever dan inspraak die genegeerd wordt door bestuurders of een anonieme stichting. De leden nemen dan feitelijk de positie van de professionele toezichthouders weer over.

Geen subsidie
Het mooist zou zijn als een aantal organisaties er bewust voor kiest om geen subsidie meer te verwerven. Dat betekent dan wel dat er relatief royale fiscale vrijstellingen moeten blijven voor goede doelen. Om dat in stand te houden dient er beter toezicht te komen op goede doelen (ANBI’S), bijvoorbeeld door een charity board zoals in het Verenigd Koninkrijk. Giften uit onvrije landen moeten verboden worden. En goede doelen die tegen de Grondwet ingaan, verliezen natuurlijk onmiddellijk hun status als zijnde een goed doel.

Het moeilijkste stuk
Een levendig en onafhankelijk middenveld creëren is waarschijnlijk het moeilijkste stuk van het sociaal contract, omdat burgers echt tegenspraak kunnen bieden. De overheid komt gauw weer in de verleiding om het maatschappelijk middenveld te subsidiëren en zodanig mee te laten draaien dat het bijna weer onderdeel wordt van de overheid in plaats van een onderdeel van de samenleving te blijven.

Vrije pers
De vrije, onafhankelijke pers speelt eveneens een bijzondere en cruciale rol in de democratie. De pers is een waakhond voor misstanden en controleert dus ook de politici. De politiek gaat niet over de pers. Maar het is onwenselijk dat een groot deel van de Nederlandse journalistiek in buitenlandse handen is. Neigingen om de pers te subsidiëren dienen onderdrukt te worden, omdat zij dan afhankelijk wordt van de regering die zij moet controleren. Maar in een tijd van teruglopende abonnementen is het wel een zorg dat die onafhankelijke nationale pers het zo lastig heeft”. Aldus Pieter Omtzigt.

Niet vanzelfsprekend
Vrijheid is niet vanzelfsprekend. Er zijn oorlogen voor gevoerd. Er worden oorlogen voor gevoerd. Een vriend tipte de film ‘Das schweigende klassenzimmer’
(klik-link-you-tube). Ook als boek verkrijgbaar.
Boek: ‘Das schweigende klassenzimmer. Door hem gebruikt bij lessen op een middelbare school. Niets aan toe te voegen, …….. (Hier bedoeld als voorbeeld om gedachten te kunnen wisselen maar zeker ook als echte aanrader). Tja, voor ieders eigen, vrije, gedachten. 

Wat denk jij er van? Hoe zie jij ‘vrijheid’? Gaat het goed met ‘de vrijheid’, of moet er wat gebeuren?

Abonneren / deelnemen (klik-link)

Telegraafsma #28: De Grondwet

Een echte volksvertegenwoordiging?

Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872)

De Grondwet
“De Grondwet van Thorbecke uit 1848 staat bekend als een belangrijke mijlpaal in de democratisering van Nederland in de negentiende eeuw. Het brein achter deze grondwet was de liberale politicus Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872). Thorbeckes grondwet legde de basis van onze tegenwoordige parlementaire democratie. De macht van de koning werd aanzienlijk ingeperkt en de bevolking kreeg meer rechten en vrijheden.

Waarom een grondwetsherziening?
1844 kwam Thorbecke als parlementariër in de Tweede Kamer. In de tweede helft van de jaren 1840 broeide er iets, in heel Europa. Er braken in meerdere Europese landen hongersnoden uit. Honderdduizenden Europeanen emigreerden naar de Verenigde Staten. In tal van fabrieken brak er onrust uit onder de industrieslaven: de arbeiders lieten steeds luider van zich horen. Het gedachtegoed van het communisme broeide onder de oppervlakte en weldra zouden spreekbuizen als Karl Marx (1818-1883) en Friedrich Engels (1820-1895) van zich laten horen met hun Communistisch Manifest.

Revoluties en rellen

In Europa werd het in maart 1848 pas écht onrustig. Zo braken er in Duitsland en Frankrijk revoluties uit, die in Frankrijk leidde tot afzetting van de monarchie. Toen ook in Amsterdam en Den Haag relletjes uitbraken, werd Willem II, “In één nacht van uiterst conservatief uiterst liberaal.” Omdat koning Willem II na de val van de Franse monarchie bang was voor zijn positie vroeg hij Thorbecke voorzitter te worden van de door hem ingestelde Grondwetscommissie, die op 17 maart 1848 geïnstalleerd werd.

Trias politica
De nieuwe Grondwet was bijna volledig het werk van Thorbecke, wiens gedachtegoed sterk beïnvloed was door de ideeën van de Verlichtingsfilosoof Charles Montesquieu (1689-1755). Montesquieu stelde een scheiding van de drie machten voor (trias politica): de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht moesten onafhankelijk van elkaar opereren om echte democratie te garanderen.

Belangrijkste bepalingen uit de Grondwet van Thorbecke
De Grondwet van Thorbecke bood veel nieuwe vrijheden en vormde de basis voor de ontwikkeling van de parlementaire democratie van vandaag de dag. De belangrijkste bepalingen uit Thorbecke’s grondwet waren:
– De ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd. Dit hield in dat de ministers verantwoordelijk zouden zijn, de koning bleef onschendbaar.
– Vrijheid van onderwijs, vereniging en vergadering, van meningsuiting en van drukpers.
– De Tweede Kamer, gemeenteraden en Provinciale Staten werden rechtstreeks gekozen via het systeem van censuskiesrecht (RG: dat wil zeggen dat bij verkiezingen het stemrecht is voorbehouden aan personen die vermogend genoeg zijn om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen). De Eerste Kamer werd voortaan indirect verkozen via de provincies en niet meer rechtstreeks door de koning. Alleen de rijke elite uit elke provincie kwam in aanmerking voor eventueel lidmaatschap van de Eerste Kamer.
– De Tweede Kamer kreeg het recht van amendement (aanvullingen op de grondwet) en het recht van onderzoek.
– De koning had niet meer individuele beslissingsbevoegdheid op het koloniale beleid en ook geen invloed meer op besluiten omtrent de Rooms-Katholieke Kerk.
– De nationale begroting werd voortaan jaarlijks en niet om de twee jaar vastgesteld.
– Vergaderingen van volksvertegenwoordigers werden openbaar toegankelijk.

Kort samengevat, verloor de koning door de Grondwet van Thorbecke veel macht, de parlementaire invloed werd flink vergroot en de Nederlandse bevolking kreeg meer vrijheden.

Na de Grondwet
Hoewel Thorbeckes grondwet de bevolking veel nieuwe vrijheden bracht, kwam van de democratisering in de praktijk decennialang weinig terecht. Het percentage kiesgerechtigden bleef laag. In 1848 had 7,3 procent van de volwassen mannelijke bevolking het kiesrecht. Na de grondwet steeg dit percentage weliswaar, maar zeker niet spectaculair. In 1850-1851 was 10,8 procent van de mannelijke inwoners van 23 jaar en ouder kiesgerechtigd, een percentage dat heel langzaam groeide naar 12,1 procent in 1880. Dat betekende dat slechts 3 à 4 procent van de totale bevolking, een fractie dus, in deze jaren het kiesrecht bezat.

Marga Klompé 
In 1917 voerde de politiek het algemeen kiesrecht voor mannen in. En twee jaar later kregen ook vrouwen het actief kiesrecht, wat inhield dat zij ook mochten stemmen. Beide wijzigingen kwamen in 1922 in de herziene Nederlandse grondwet te staan. Maar de politieke vrouwenemancipatie verliep traag. Pas op12 oktober 1956 kreeg Nederland
met Marga Klompé  (1912-1986) een eerste vrouwelijke minister”. (Bron: Historiek).

Democratie
Het recht ‘te kunnen kiezen’ en ‘gekozen te kunnen worden’ is dus niet zo maar uit de lucht komen te vallen. Hoe gaan we nu met onze democratische rechten om? Pieter Omtzigt zegt er het volgende over, in zijn voorstel om te komen tot een volksvertegenwoordiging die haar kerntaken serieus neemt:

“Kerntaken
De Tweede Kamer heeft een aantal kerntaken zoals het maken van goede, deugdelijke wetgeving en het grondig en diepgaand controleren van de regering. Voor de uitoefening van haar taken maakt de Grondwet geen onderscheid tussen oppositie-Kamerleden of coalitie-Kamerleden. Beiden hebben dus diezelfde taak.

De praktijk
In de praktijk lijkt het er echter meer op dat het overal een mening over hebben, schriftelijke en mondelinge vragen stellen en in de media verschijnen, de kerntaak van parlementariërs is. Het maken van goede wetten en het controleren van de regering bij de uitvoering zijn veel taaiere, eerder onzichtbare processen, die meer aandacht vragen dan ze nu krijgen. Dit is alleen mogelijk door het werk van het parlement anders in te richten.

Details
Wetgeving wordt vaak behandeld met een algemeen verhaal van de woordvoerder waarin wordt aangegeven dat het doel van de wet wel of niet gedeeld wordt. Maar het venijn van wetgeving zit hem vaak in de details: klopt de afbakening van mensen die ergens recht op hebben of niet? Is de strafmaat veel te hoog of juist veel te laag? Dat soort vragen komt veel te beperkt aan de orde tijdens de wetsbehandeling. En Kamerleden kunnen nauwelijks detailvragen stellen.

Reglement van Orde
Het Reglement van Orde van de Kamer, dat bepaalt hoe procedures werken, voorziet wel in de mogelijkheid om wetten artikelsgewijs te behandelen, bijvoorbeeld in een wetgevingsoverleg. Maar in de praktijk gebeurt dit nooit. Bij grote wetsvoorstellen is het wel nuttig om dit te doen. Als dan blijkt dat de Kamer vastloopt, dan is het waarschijnlijk dat de praktijk ook vastloopt. Ook kan de Kamer een wetsvoorstel in twee lezingen behandelen, zoals in buitenlandse parlementen gebeurt. Sommige wetsvoorstellen worden gaande het wetgevingsproces zo verbouwd met nota’s van wijzigingen (veranderingen die de regering aanbrengt tijdens het wetgevingsproces) en amendementen (wijzigingen die de Kamer in een wetsvoorstel aanbrengt) dat het zeer zinnig is om na al die wijzigingen de samenhang van het wetsvoorstel opnieuw te bekijken voordat de wet wordt goedgekeurd of weggestemd.

Boekhouden
Verder heeft de Kamer de commissie Rijksuitgaven opgeheven. Deze commissie was onder andere belast met de behandeling van aangelegenheden van rechtmatigheid en doelmatigheid van besteding van collectieve middelen. Formeel is die taak nu overgeheveld naar de commissie Financiën. Maar in de praktijk is een aparte commissie die de honderden miljarden die de regering jaarlijks uitgeeft controleert hoognodig.

Akkoorden
De snelste manier waarop het parlement zijn macht uit handen geeft is bij grote omvattende akkoorden. Coalitiefracties keuren hele coalitieakkoorden vaak binnen een paar uur goed en zijn er dan vervolgens vier jaar lang aan gebonden. Fracties zien dan zelfs wel eens hoofdlijnen van beleid over het hoofd. Ook bij het klimaatakkoord en het pensioenakkoord laat de Kamer zich voor het blok zetten met een omvangrijk pakket. Bij deze akkoorden moet de Kamer ook echt de consistentie van het pakket en de samenhang kunnen bestuderen en op onderdelen aanpassen of verwerpen.

Illusiepolitiek
Bij de kabinetsformatie van 2021 is er een aanvullende reden om een regeerakkoord op hoofdlijnen af te sluiten: de onzekerheden rondom de coronacrisis zijn dusdanig groot dat het simpelweg illusiepolitiek is om de uitgaven in 2025 tot op de komma nauwkeurig vast te leggen.

Europa
Een vierde punt voor een beter parlement verdient nadere toelichting. De impact van de Europese afdrachten is relatief beperkt op de totale rijksbegroting. Maar de impact van de Europese wetgeving is zeer groot. De Nederlandse regering is medewetgever als lid van de Raad van Europese Unie terwijl het nationale parlement alleen indirect wetgever is. Voor het parlement is de discussie tussen de Europese ministers moeilijk te volgen, vanwege de vertrouwelijkheid en het gebrek aan transparantie. De Nederlandse regering heeft bijna nooit vetorecht, dus kan niet een voorstel in haar eentje tegenhouden, maar moet coalities smeden. En dat proces duurt relatief lang, bijvoorbeeld omdat er na een aanname van de wetgeving nog een nationale implementatietijd volgt. Daarom volgen weinig Kamerleden het hele proces van het begin tot eind. Pas wanneer Nederland de wetgeving moet implementeren, staat de politiek op haar kop, vanwege bijvoorbeeld de stikstofwetgeving, Natura 2000-wetgeving of binnenkort de btw-richtlijn voor e-commerce die op 1 juli 2021 ingaat. Op dit punt heeft het parlement wel een paar instrumenten, maar het is echt nodig dat de Kamer vaker één of twee rapporteurs aanstelt om het hele wetgevingsoverleg volgen, wanneer een wetgevingsvoorstel potentieel grote impact voor Nederland heeft. Dat betekent dus dat een parlementariër aan het begin van het proces, wanneer er nog gediscussieerd wordt over de teksten, al een inschatting moet maken van de potentiële effecten op Nederland. Dat vereist tijd, kennis en specialistische ondersteuning, maar die zijn wel hoognodig. Vooral in een gefragmenteerde Kamer met meer dan tien fracties zullen deze allemaal een keer een beurt moeten nemen in het algemeen belang”. Aldus Pieter Omtzigt.

Wat denk jij?
Van Thorbecke tot Omtzigt: hoe denk jij dat onze democratie (nu) functioneert?
(email-link).

Abonneren / deelnemen (klik link)